harmonie
Sinds 1840 de plek waar je elkaar ontmoet

De geschiedenis van de Sociëteit "De Harmonie" te Groningen, deel 2

In 1873 werd het gebouw vergroot o.a. door afbraak van het gebouw van Minerva en het maken van een entree voor rijtuigen in de Oude Kijk in 't Jatstraat. In 1862 waren reeds de eerste muzikanten aangesteld en volgde spoedig de verdere opbouw van het Harmonieorkest, dat weldra bestond uit 24 musici, waaronder 16 "strijkers". Onder de dirigenten Maurice Hageman, Carl Eisner, Johannes Bekker, Van 't Kruys, Peter van Anrooy en Kor Kuiler, en de concertmeester Emiel Clemens-Schröner, groeide het orkest. Aanvankelijk werd de muziek gespeeld terwijl de bezoekers, zittend aan tafeltjes, rustig keuvelden, discussieerden, koffie, bier of wijn dronken, hun sigaren rookten, ruzie maakten of heen en weer liepen. 's Winters werd er meestal symfoniemuziek gespeeld in de grote zaal, 's zomers was er harmoniemuziek in de tuin (want de strijkmuziek was in de tuin nauwelijks te horen). Dit had tot gevolg dat vele muzikanten twee verschillende instrumenten dienden te beheersen, bijvoorbeeld een viool en een trombone. In de loop van de 19e eeuw ontstond geleidelijk de concertcultuur die we nu kennen. Roken werd, aanvankelijk vóór de pauze en bij het optreden van solisten, verboden, het bedienen werd beperkt en steeds vaker werden de stoelen in rijen opgesteld. Geleidelijk werd het stiller tijdens de concerten. Vaak waren er echter onregelmatigheden door het optreden van aangeschoten studenten of door meer georganiseerde acties van o.a. de eerstejaarsstudenten, die uitliepen op schorsing van het lidmaatschap of zelfs op ernstige onenigheden, die het bestaan van de Universiteit in gevaar brachten (1862-1875).

In 1858 werd met medewerking van de Sociëteit "De Harmonie" de "Muziekschool" opgericht. Dit had vele voordelen: men kon jonge musici opleiden, die een plaats konden krijgen in het orkest, maar ook kon men als leraar aan de muziekschool goede muzikanten aantrekken die tevens lid werden van het Harmonieorkest en daardoor hun inkomen konden verbeteren. Ook werden door de muziekschool vele zangtalenten gestimuleerd (zoals Julia Culp - omstreeks 1917 - de "Dutch Nightingale" die in de Carnegie Hall, voor vorsten en in het Witte Huis in Washington zong).

Vooral onder Johannes Bekker kwam het tot de oprichting van zangkoren en het gezamenlijk met het Harmonieorkest uitvoeren van grote werken als de 5e symfonie van Beethoven en La Damnation de Faust, en onder de dirigent Kor Kuiler de Matthäus Passion.

In 1891 werden de zalen en de grote concertzaal van "De Harmonie" verder uitgebreid. De capaciteit van de concertzaal kwam daardoor op ongeveer 1200 personen. Behalve de grote concertzaal waren er een grote bovenzaal voor toneeluitvoeringen, een bestuurskamer, een grote biljartzaal, een leeszaal, een speelzaal en een conversatiezaal.